Uitgelichte objecten

Het Kleed van de (K)NMP

Al een aantal jaren ligt dit kleed in Foksdiep 6.
We vertellen dan het verhaal van de familie Nieuwenhuis uit Oldenzaal, die dit kleed in de oorlog heeft geknoopt. De K van de KNMP was nog niet verleend, dat kwam na de oorlog. Een kroontje bracht uitkomst zoals we kunnen zien.
Er is nog wel wat meer te vertellen over dit kleed, zoals J.L.M. (Jan) Nieuwenhuis, oud-voorzitter van de KNMP deed in het jubileumnummer (150 jaar) van het Pharmaceutisch Weekblad (1992, pag. 421).
In maart 1942 werd de NMP opgeheven door de bezetter. De vader van Jan, voorzitter, organiseerde toch in Oldenzaal een maand later het eeuwfeest voor het toenmalig Hoofdbestuur. Onder hun voeten bevond zich een smyrna tapijt gemaakt door mevrouw Nieuwenhuis. Dit tapijt was bedoeld voor de vergaderzaal van de NMP in Amsterdam.
Na de oorlog werd de vader van Jan weer voorzitter van de (K)NMP en lag het kleed zoals bedoeld in de voorzitterskamer, eerst in Amsterdam later in Den Haag. 
Toen er geen plaats meer was voor het kleed kwam het weer terug in Oldenzaal.
“Mocht de KNMP er weer emplooi voor hebben in een van de vele kamers in de Alexanderstraat, dan wil ik het gaarne weer ter bestemder plaatse tot zijn recht laten komen” schreef Jan Nieuwenhuis in 1992.
Kennelijk had deze oproep succes, want een aantal jaren geleden hebben we vanuit de KNMP dit kleed in Foksdiep 6 mogen ontvangen waar het nu weer te bewonderen is.

 

Kast apotheker Walter, oprichter NMP

De foto hierboven is gemaakt toen deze kast nog bij de KNMP, Alexanderstraat Den Haag stond. De kast is afkomstig van een apotheek uit Amsterdam, Herengracht 222, waarvan A.H. Walter, één van de oprichters van de NMP eigenaar was. Later is deze apotheek overgenomen door L.C.W.Cocx, en onder deze naam is de apotheek tot ca 1975 voortgezet.
In de jaren 90 is deze kast aangekocht door de KNMP.
In de zomer van 2019 is deze kast in Foksdiep 6 geplaatst.
Toen de kast nog bij de KNMP stond, was hij tegen de wand geplaatst zodat het houtsnijwerk aan de andere kant niet zichtbaar was. Nu is de kast "vrij" geplaatst, zodat het houtsnijwerk en het bewerkte glas weer goed zichtbaar zijn. Ook is nu weer te zien hoe de patiënt voor de balie stond en door de opening de geneesmiddelen toegeschoven kreeg.


Hieronder detail van het houtsnijwerk en het glas

Rotterdamse stoel

Jarenlang heeft een massieve groene stoel gestaan bij de KNMP, Alexanderstraat, en staat nu in Foksdiep 6.
Het gaat om de stoel van het departement Rotterdam, die meer dan 50 jaar geleden is gemaakt (exacte datum onbekend). 
Op de foto staat het in hout uitgesneden zegel van de voorganger van het departement, het Rotterdamse Gilde. De latijnse spreuk Potentia nobis herbarum subiecta komt uit Ovidius, Metamorfosen boek 1 vers 522 . Letterlijk vertaald: de kracht van kruiden is ons onderworpen, in meer hedendaags Nederlands: De kracht van kruiden is ons domein.

 

Harderwijker kasten

Begin 2019 zijn de "Harderwijkse kasten" , die in het depot van het Veluws Museum (Harderwijk) waren opgeslagen, weer opgesteld in Foksdiep 6. 
De kasten zijn oorspronkelijk in één geheel opgebouwd als een grote vaste wandkast in de Apotheek op het adres Broederen B8 thans Markt 9, Harderwijk. In dit pand hebben gedurende de 19de en 20ste eeuw een aantalk apothekers gewerkt.
In 1934 zijn de kasten aangekocht door de voorganger van het Veluws Museum, maar in 2014 zijn deze gedemomteerd en in het depot terecht gekomen.
Mede dankzij inspanningen van Peter Wittop Koning zijn de kasten aan ons geschonken. Het waren nog "oude" contacten, Peter's vader heeft veel voor het museum betekend en was ereburger van de stad Harderwijk.
Het bijzondere van de kast (links) is dat aan beide zijkanten de vakjes van namen zijn voorzien van alle pleisters die zijn beschreven in de Pharmacopoea Batava van 1805. 
Literatuur:
Wittop Koning, D.A. Die Aufbewahrung der Pflaster in: Zur Geschichte der Pharmazie, 1965 nr 2 en 3, pag 13-14
Bosman-Jelgersma, H.A. Poeders, Pillen en Patiënten (1983) pag. 151

 

 

 

Koperen kroepketel

In dit apparaat werd water aan de kook gebracht waardoor er stoom uit het pijpje kwam. Het bekertje dat aan het eind van het pijpje hangt dient om waterdruppels op te vangen. Het is een zogenaamde ‘kroepketel’ die gebruikt werd bij patiënten (meest kinderen) die aan pseudokroep leden. Pseudokroep is een aandoening waarbij de slijmvliezen rond de stembanden opzwellen als gevolg van een virale ontsteking van de bovenste luchtwegen. Hierdoor wordt het inademen moeilijk en krijgen de kinderen het benauwd. Ook hebben pseudokroep patiënten vaak last van een stevige blafhoest en een gierende ademhaling. Vroeger dacht met dat het inademen van vochtige lucht de klachten zou verminderen, en hoewel dat niet bevestigd is door recent onderzoek verminderde de vochtige lucht in elk geval wel de hoestprikkel.

In de eerste decennia van de twintigste eeuw werd de hier afgebeelde kroepketel in bruikleen gegeven door de apotheek. De kroepketel was makkelijker in het gebruikt dan een ketel met kokend water, en kon ook buiten de keuken gebruikt worden. Aan het gebruik van kroepketels kwam een eind toen de douche zijn intrede deed, nu kon men immers gemakkelijk in een ruimte gaan zitten die vol was met vochtige lucht.

De auto klisteerspuit

Het toedienen van klysma’s (darmspoelingen) was heel gebruikelijk in de 17de en 18de eeuw. Volgens de geneeskundige opvattingen van die tijd bevinden zich in het menselijk lichaam vier vloeistoffen, de zogenaamde lichaamssappen of humores. De vier humores zijn bloed (sanguis), slijm (phlegma), zwarte gal (melan chol) en gele gal (chol). We vinden ook in ons tegenwoordige taalgebruik nog voorbeelden van deze theorie. De uitdrukkingen ‘een goed humeur’ en ‘een slecht humeur’ verwijzen direct naar de humores. Ook het woord temperament heeft daar zijn oorsprong, temperare is het Latijnse woord voor ‘mengen’. En een melancholiek type heeft een overmaat aan zwarte gal. Wanneer de lichaamsvloeistoffen met elkaar in evenwicht zijn is de mens gezond, bij een overmaat van een van de lichaamssappen wordt men ziek. Manieren om een overmaat aan vocht kwijt te raken waren aderlaten, braken of het toedienen van een klysma.

Klysma’s werden meestal door apothekers toegediend, de zeventiende en achttiende eeuwse artsen vonden dit werk ver beneden hun stand. De klisteerspuiten werden van tin gemaakt en hadden een houten stamper waarmee de inhoud in de darm gespoten kon worden. Er was dus altijd iemand aanwezig bij zo’n darmspoeling, en op den duur kregen de patiënten, met name de vrouwen, hier toch wat problemen mee. De autoklisteerspuit bracht hier de oplossing: men ging op het uiteinde zitten en bediende dan zelf de stamper.

Zaagvistand

Zaagvissen behoren tot de roggen, maar lijken meer op haaien door hun lange zaagvormige snuit. In de zaagvormige snuit zitten aan weerszijden dolkvormige tanden. De vissen gebruiken die om bodemdieren uit de bodem te woelen maar ook om er mee door een school vis te maaien. De getroffen vissen worden daarna opgegeten. De zaagvormige snuit noemt men ‘zaagvistand’. De zaagvistand is nooit als geneesmiddel gebruikt. Toch werd in de apotheek de zaagvistand vaak opgehangen om de aandacht van klanten te trekken. Om dezelfde reden werden gapers buiten de apotheek opgehangen. In het Centrum voor Farmaceutisch Erfgoed zijn twee zaagvistanden te bewonderen.

Aanmelden nieuwsbrief