Publicaties

De scheikunstenaar. De innovatieve wetenschap van de Groningse hoogleraar Sibrand Strating Ez. 1785-1841

Ulco Kooystra
ISBN
9789087049584
Pagina's
444
€ 35.00

Binnen korte tijd is er een derde proefschrift verschenen waarbij de rol van de chemie in de farmacie een belangrijke plaats inneemt.

Het laatste proefschrift is van Ulco Kooystra getiteld De Scheikunstenaar. De innovatieve wetenschap van de Groningse hoogleraar Sibrand Stratingh Ez. 1785-1841. Het is nu verschenen als handelseditie.

Het vult hiermee het “gat” tussen het boek van Henk Vermande, De Chemist, de geschiedenis van een verdwenen beroepsgroep, 1600-1820 en Piet Vree’s De vermeerdering onzer kennis, bereiding en onderzoek van geneesmiddelen in Nederlandse farmacopees. 

Hoewel deze 3 boeken heel verschillende uitgangspunten hebben geven ze toch in gezamenlijkheid een mooi beeld van de ontwikkelingen in de chemie en de invloed daarvan op het beroep van apotheker.

Waar Vermande een compleet beeld probeert te schetsen van de beroepsgroepen die zich met de farmaceutische chemie bezighouden, wat een grote hoeveelheid biografische gegevens oplevert, concentreert Kooystra zich op één persoon, terwijl de nadruk bij Vree ligt op de ontwikkelingen in de natuurwetenschappen en de invloed daarvan op de farmacie, niet op biografische gegevens.

Die ene persoon bij Kooystra blijkt wel een bijzonder veelzijdig man geweest te zijn. Sibrand Stratingh Ez. (de toevoeging Ez. is essentieel, er zijn meerdere Sibrands) was opgeleid als apotheker, en heeft later ook een studie geneeskunde gevolgd. Hij heeft ook een apotheek beheerd maar is vrij snel hoogleraar geworden in Groningen. Hij was de motor van het Natuur- en Scheikundig Genootschap, met een stroom aan voordrachten en demonstraties. In appendix 3 zijn deze vermeld, het zijn er 162. Het aantal publicaties van zijn hand doet daarvoor nauwelijks onder, in appendix 2 worden er 144 vermeld.

Zijn activiteiten betroffen vooral de chemie (isolatie van alkaloïden, productie van o.a. chloorverbindingen, analyse van edelmetalen), werktuigbouwkunde zoals de bouw van stoomwagens en elektrochemie (met o.a. het eerste elektrische karretje). Kooystra gaat niet alleen in op het werk van Stratingh maar plaatst dit ook in een internationaal kader, daarmee heeft hij een enorme hoeveelheid documentatie informatie verwerkt. Het beeld dat naar voren komt is dat Stratingh misschien niet de eerste was op de vele terreinen waar hij actief was, maar heel snel nieuwe ontwikkelingen oppakte en met praktische verbeteringen kwam.

Heel duidelijk blijkt dit uit hoofdstuk 4, Onderzoeker van nieuwe geneesmiddelen. Hierin een schets hoe Stratingh mede door familiebetrekkingen apotheker is geworden, en een apotheek heeft verkregen.  Vervolgens de experimenten in het laboratorium in de apotheek, waarbij met name zijn isolatiemethoden voor kinine en morfine bekend zijn geworden. 
Zijn verdiensten voor de farmacie zijn o.a. opgemerkt door Stoeder in zijn Geschiedenis der Pharmacie, waarin hij een overzicht geeft van de werken van Stratingh op het gebied van de farmacie, en opmerkt dat al deze werken in het “Hoogduitsch” zijn vertaald. Ook Wittop Koning vermeldt Stratingh op diverse plaatsen in zijn Compendium voor de Geschiedenis van de Pharmacie van Nederland.
Tegen het einde van dit hoofdstuk komt de rol van Stratingh in het Groninger Apothekers Gezelschap aan de orde waarvan als jaar van oprichting 1822 wordt vermeld. De notulen van dit Gezelschap, die Kooystra niet kende, zijn nog te vinden in het Centrum voor Farmaceutisch Erfgoed te Urk, de oprichtingsdatum is 1820.

De volgende hoofdstukken gaan over Stratingh als essayeur van goud en zilver, Stratingh als ontwikkelaar van laboratoriumapparatuur, bestrijder van stank en ziektekiemen, ontwerper van een stoomwagen en van een elektrisch karretje.

In het hoofdstuk over stank en ziektekiemen veel aandacht voor het gebruik van chloorverbindingen. Toen in Groningen in 1826 een ernstige epidemie uitbrak, waaraan ca 10% van de bevolking zou overlijden, ging dat gepaard met een grote stankoverlast door de ernstig ondermaatse hygiënische praktijken. Het vermoeden dat er een relatie was tussen de stank en de besmettingen was er wel maar niet duidelijk was of dit kwam door de lucht (miasma theorie) of door contact. Een discussie die nog lang na 1826 zou voortduren. Maar stankbestrijding leek in elk geval een optie. Enkele jaren voor de Groninger epidemie was in Frankrijk gevonden dat chloorkalk (calciumhypochloriet, bleekpoeder) effectief was om stank tegen te gaan. Al vóór 1826 werkte Stratingh al aan chloorkalk, en was hij in de positie om tijdens de epidemie als voorzitter van de “chlorine commissie” de productie van chloorkalk en andere chloorverbindingen op te starten. Kooystra gaat niet in op wat er later met deze productie is gebeurd. In de notulen van het Apothekersgezelschap blijkt dat in 1828 deze productie in handen is gekomen van de Groninger apothekers (tot ca 1840).

Bij de hoofdstukken over de laboratoriumapparatuur, de stoomwagen en het elektrisch karretje heeft Stratingh veel hulp gehad van Christiaan Becker. Hij is de “stamvader” geweest van de Beckers die hun sporen hebben verdiend als producenten van ook veel in de farmacie gebruikte balansen.

Een stamboom van de Stratinghs, bijlagen met de vele publicaties en voordrachten en een persoonsregister completeren dit boek.

Voor wie nog mocht denken dat in de eerste helft van de 19de eeuw er niet zo veel gebeurde zal dit boek een eye-opener zijn. Van harte aanbevolen.

 

Wim Rakhorst

 

Aanmelden nieuwsbrief